• Banner_2018_1_gt.jpg

Onze geschiedenis voor 1941

Met toestemming ontleend aan Huub Janssen en Wim Mertens 'Meer dan 150 jaar muziekbeoefening in Nederweert', in: (A. Bruekers red.) Nederweerts Verleden, conflict en harmonie (Nederweert 1991) p. 45-138.



Opkomst van de Muziekgezelschappen

Het 'in vereniging' instrumentaal musiceren is tot aan de Franse Revolutie een voorrecht geweest van de muziekgezelschappen aan de hoven van de geestelijke en wereldlijke autoriteiten. Wel trof men in stad en land de schuttersvendels aan, opgericht ter bescherming van have en goed van de burger. Deze vendels beschikten meestal over een of meer tamboers en vaak ook over hoornblazers. Met musiceren had dit echter nog weinig van doen. Met 'roerende trom' en 'gestoken trompet' was het marcheren makkelijker en krijgshaftiger. Toch was dit het begin van 'in vereniging' musiceren. Na de Franse Revolutie werd namelijk onder andere de dienstplicht ingevoerd en parades en manoeuvres waren al spoedig niet meer denkbaar zonder de ''ondersteuning' door tamboers en muziekkorpsen. Het was Napoleon die elk regiment voorzag van een muziekkapel en na zijn val werd dit door vrijwel elk land overgenomen.

Deze kapellen zijn niet te vergelijken met een fanfare- of harmoniekorps van tegenwoordig maar het ontwikkelen van koperblaasinstrumenten, voorzien van een vernuftig ventielsysteem, deed de muzikale bruikbaarheid geweldig toenemen. Voeg daarbij de niet lang daarna ontwikkelde klarinet en saxofoon en men had een blaasorkest. De eerste bloei der blaasmuziek in Limburg dateert dan ook uit begin 19e eeuw en komt medio 1800 in een stroomversnelling, mede door de inzet van dirigenten en geoefende muzikanten welke uit de krijgsmacht terugkeerden in de maatschappij. Echter, Nederweert was een uitgesproken agrarische gemeente en de landbouw was in de jaren 1860 tot 1880 wereldwijd in een ernstige crisissituatie terechtgekomen. Het duurde dan ook tot 1875 eer er in Nederweert sprake kon zijn van de oprichting van een eigen muziekgezelschap. In het Kanton Weert, 24 juli van dat jaar, kunnen we lezen dat een blaasorkest werd opgericht dat de naam kreeg van:


Fanfare Burgerlust

Helaas is er weinig archiefmateriaal meer te vinden van deze fanfare. Het stichtingsbestuur werd gevormd door Dokter Seijens, Budelnaar van geboorte en arts te Nederweert, president (het is lang gebruikelijk geweest, en plaatselijk in harmonie- en fanfarekringen nog wel, om de voorzitter van de vereniging zo te betitelen) en verder door de heren Harrie Hobus (De Brouwer), Frans van Deursen (Kösters Ciske) en Cleophas Gubbels (Göbbels Clieëf). Burgemeester P.J.H. Vullers bekleedde het erevoorzitterschap en twee andere ´notabelen´, te weten notaris Le Brun en gemeenteontvanger A.H. Walkers waren commissarissen (hoogstwaarschijnlijk het beste te vergelijken met de Vrienden van Harmonie St. Joseph van tegenwoordig). Tot dirigent (het was ook lang, en op sommige plaatsen nog steeds, gebruikelijk hem directeur te noemen) werd benoemd de heer Goossens, muziekleraar uit Gemert. Uit "Het Kanton Weert" van die tijd weten we dat het beginkapitaal uit 500 gulden bestond, bijeengebracht door inschrijving. Geen gering bedrag voor die tijd!

Gestart werd met 19 leerlingen, die tweemaal per week les kregen van directeur Goossens. In augustus 1875 arriveerden de instrumenten uit Parijs, van de beroemde fabriek van A. Secomte & Cie, Instrumenten “…van den laatsten smaak, zeer netjes bewerkt en zacht van toon. Vooral de helicon (een bas-tuba) trok, om derzelve sierlijke constructie, aller aandacht…”. In oktober 1875, met Nederweert Kermis, trok de fanfare voor het eerst door het dorp en werd de Wel Eerwaarde Heer Pastoor een serenade gebracht.

Op 6 januari 1876 waren de muzikanten van Fanfare Burgerlust reeds zover gevorderd dat, in het schoollokaal, het eerste echte concert gegeven kon worden. Directeur Goossens was blijkbaar een inventief persoon die zijn pappenheimers kende. Het programma van deze uitvoering vermeldt namelijk een achttal muzieknummers waarvan er zeven van zijn hand waren. In de zomer van dat jaar werd nog tweemaal geconcerteerd. Op 18 juni ook weer in het schoollokaal en op 3 september een heus openluchtconcert in de tuin bij Holten. Deze tuin was gelegen achter de (later afgebroken) woning van de Nederweerter kunstschilder en beeldhouwer Paulus Holten, gelegen aan de Kerkstraat (ter hoogte van nu nummer 33).

Een unieke foto uit 1898 van Fanfare Burgerlust in de Brugstraat samen met een muziekgezelschap uit het Belgische Hamont marcherend naar het raadhuis voor deelname aan een muziekfestival.

Toch moet Schraalhans keukenmeester zijn geweest bij de fanfare. Want was is nou een muziekgezelschap zonder de fier voorop gedragen “drapeau” (zoals van oudsher het vaandel van harmonieën en fanfares genoemd wordt). Fanfare Burgerlust moest wachten tot 1878 eer ze in het bezit kwam van dat felbegeerde pronkstuk. Het werd haar toen geschonken door de Erevoorzitter burgemeester Vullers, die zijn zilveren ambtsjubileum als burgemeester van Nederweert mocht vieren. Het zal zeker mede door deze geste geweest zijn, dat dit feest volgens de annalen van de gemeente uit die tijd, op zo luisterrijke wijze gevierd werd. Zij spreken van: “…een vrolijke stemming, een broederlijke eendracht en een vriendschappelijke omgang onder de leden…”. Treffend, waar nu ook nog in de statuten van Harmonie St. Joseph staat dat het doel van de vereniging op de eerste plaats is: “…De bevordering van de instrumentale muziekbeoefening, de verheffing van het culturele leven en een gezellig en kameraadschappelijk verenigingsleven…”. Fanfare Burgerlust heeft in haar tijd daar ook al minstens enkel decennia aan voldaan. Bekend zijn nog haar deelname aan muziekwedstrijden in Bree, Helmond en Antwerpen waar ze hoge ogen gooide en met ereprijzen beloond werd.

Wat, rond de eeuwwisseling, de oorzaak ervan is geweest dat de muziekbeoefening in Nederweert zodanig in de perikelen kwam dat de fanfare zelfs het loodje moest leggen, is niet te achterhalen. Speculaties in de richting van een nijpend geldgebrek kunnen grond hebben maar ook de aloude tegenstellingen tussen “…die van de Straat en die van buiten…”, tussen de “Straotkegge en de Bore” maakt een goede kans. Wat er ook van zij, eind 1901 brachten de enig overgebleven bestuursleden Dokter Schmidt en Harrie Hobus, de drapeau en instrumenten naar de pastorie, naar pastoor Kerbosch. Naar een feitelijk neutraal persoon, hetgeen de tweede veronderstelling hierboven, toch wat meer reliëf geeft. Hoewel… ook in Weert ging bijvoorbeeld de eerste Weerter harmonie op de fles omdat het noodzakelijk was dat er contributie betaald moest worden. Wat dan weer op het andere facet kan duiden, nietwaar?


Kerkelijke Fanfare St. Lambertus

Duidelijk is wel dat pastoor Kerbosch een muziekgezelschap node miste bij diverse kerkelijke plechtigheden. Processies, kindheidsoptochten, inhuldigingen en het begeleiden van neomisten die hun eerste H. Mis opdroegen in hun parochiekerk (wat toen veel frequenter voorkwam dan tegenwoordig), waren alom in Limburg ondenkbaar zonder medewerking van een muziekgezelschap. Zo dus ook in Nederweert. Het is zeker niet gewaagd te veronderstellen dat dat een van de voornaamste redenen was waarom pastoor Kerbosch al twee jaar later, op 19 augustus 1903, de Kerkelijke Fanfare St. Lambertus ten doop hield. De algemene tendens tot het zich aaneensluiten in (katholiek) verenigingsverband mag dan als een tweede oorzaak gezien worden. De clerus hield in ieder geval een stevige vinger in de pap. Het eerste bestuur werd gevormd door: pastoor Kerbosch, president, kapelaan Wouters, vice-president, en de heren Harrie Kauffman, Dokter Schimdt en Harrie Hobus. De laatste twee waren ook bestuurslid van Fanfare Burgerlust geweest. De eerste dirigent werd ook in het eigen dorp gevonden in de persoon van H. Coumans (D´n Houtmölder). Pastoor Kerbosch wist kennelijk “zijn” fanfare goed te verkopen en zijn schaapjes te overtuigen van het nut, zo niet de noodzaak, van een muziekgezelschap in Nederweert. Gestart met de hem in bewaring gegeven instrumenten van Fanfare Burgerlust kon dankzij een ruime toevloed van giften, al spoedig het instrumentarium aangevuld worden tot het peil van een volwassen fanfare. Toch timmerde Fanfare St. Lambertus zeker niet uitbundig aan de weg. De eerste doelstelling in haar statuten: “…de opluistering van kerkelijke plechtigheden…” had, zeker de eerste jaren, sterk de nadruk. Dat men toch wel over uitstekende muzikanten beschikte mag blijken uit het feit dat een hunner, de eerste pistonnist M. van de Warenburg, op een solistenconcours in Parijs een “dikke”  eerste prijs behaalde.

Dat zulk, en best nog wel meer aanwezig, talent zich niet beter mocht manifesteren en bovendien de strenge moraal in het begin van de 20e eeuw tot op de viering van het jaarlijks Caeciliafeest van toepassing werd gebracht, leidde in 1908 tot een schisma in de Nederweerter muziekwereld. Op 8 december van dat jaar werd namelijk de Harmonie Wilhelmina opgericht.

Deze fanfare overleefde de eerste wereldoorlog, musiceerde naar vermogen maar werd door allerlei problemen eind 1921 met opheffing bedreigd. Door inzet van velen wist men de club financieel en muzikaal bij elkaar te houden tot de dag van de gezamenlijke ledenvergadering met de Harmonie St. Caecilia, op St. Josephsdag 1941 (19 maart), waar het besluit tot een fusie zou vallen.


Twee blaasmuziekgezelschappen in Nederweert-dorp

Ogenschijnlijk bracht de afscheiding aan Fanfare St. Lambertus geen onherstelbare schade toe. Zij bleef op de ingeslagen weg voortgaan. In 1911 kwam pastoor Pijls naar de St. Lambertusparochie, werd –uiteraard- president van de fanfare en maakte van deze gelegenheid gebruik om het bestuur te vernieuwen en uit te breiden. Dokter Schmidt was er reeds in 1908 uitgestapt en de heren Kauffman en Hobus hielden het nu ook voor gezien. In hun plaats verschenen de heren J. Beurskens, L. Beijs, R. Hobus, J. Jaspers, A. Thomassen en A. Timmermans. Kapelaan Frencken volgde kapelaan Wouters op als vice-president. Met dit bestuur ging de fanfare de Eerste Wereldoorlog in. Die had een onvermoed vervelende consequentie voor de repetities. Als kerkelijke fanfare had men namelijk het (parochieel) patronaatsgebouw als repetitielokaal. Ter wille van de distributie van levensmiddelen in die tijd (evenals later in de Tweede Wereldoorlog was veel “op de bon”) vorderde de overheid het patronaatsgebouw als opslagruimte voor levensmiddelen. Het leek alsof de situatie, die toen ontstond, de fanfare wat losser weekte van het kerkelijk gezag. Immers, in 1917 trad zowel pastoor Pijls als kapelaan Frencken terug. De heer Arnold Thomassen werd president en H. Coumans nam de plaats in van J. Jaspers. H. Coumans, de eerste directeur, is waarschijnlijk slechts voor kort opgevolgd door de heer Frans Groenen uit Leende. Deze, oom van een van de latere dirigenten van Harmonie St. Joseph, Wim Groenen, ontpopte zich later als een legendarisch figuur bij de Philharmonie van Leende. Bij Fanfare St. Lambertus nam Hub Vaes (Baer van Klokke Drika) de dirigeerstok van hem over. Deze bleef (blijkens een jaarverslag tot volle tevredenheid) directeur tot 1921.

In 1918 was de Eerste wereldoorlog afgelopen. Langzaam werd het leven weer normaler en dat had zelfs voor een fanfare in Nederweert gevolgen. De overheid had namelijk geen behoefte meer aan opslagruimte, in casu het patronaatsgebouw. Maar ook het kerkbestuur vond dat gebouw blijkbaar maar een blok aan het been en nam het –naar later bleek, onzalige- besluit om dat gebouw in beheer te geven aan Fanfare St. Lambertus. Even leek het een oplossing van de financiële problemen van de fanfare, maar uiteindelijk beten er enkele besturen de tanden op stuk en werd eind 1921 het gezelschap met opheffing bedreigd. Dat liet echter een aantal “fans”  niet op zich zitten. Zij zorgden voor een, voor die tijd aanmerkelijk, voorschot van 1.600 gulden en onder leiding van een nieuw bestuur gloorde er weer licht aan de horizon. Raphaël Hobus (Fel vanne Brouwer) werd de nieuwe voorzitter, Alphons Timmermans (Aphons vanne Houtmeule) secretaris en P. Scheijven (Pietje Puk), Th, Hoeben (Sallemes Door) en W. van Deursen (Wiel van Kösters Ciske) leden. H. van Dooren uit Weert werd de opvolger van Hub. Vaes als directeur. Voorzichtig werd er aan een heropbouw begonnen. Traditiegetrouw niet uitbundig maar vooral zorgvuldig manoeuvrerend. Na enkele jaren was er weer dirigentenwisseling. Men viel weer terug op een directeur van onverdacht Nederweerter oorsprong in de persoon van Guillaume Trouwen (Guul van Gieëne Zjang). Deze had als mede-oprichter van Harmonie Wilhelmina met dat gezelschap een reeks successen behaald maar moest daar toch wijken voor kapelmeester S.P. van Leeuwen wiens muzikale opvattingen hem niet zo lagen.

Ook met Fanfare St. Lambertus lukte het hem enkele, kleinere, successen te boeken. Zijn verdienste was het echter zeker dat hij de club bij elkaar wist te houden en naar vermogen te laten musiceren. De opvolger van directeur Trouwen, de heer van Engelen, had geen gemakkelijke taak. Het leven ging in de dertiger jaren gebukt onder een enorme, wereldwijde crisis. Een vereniging financieel in stand houden was een welhaast onmogelijke opgave. En ook de dirigent moest, wat betreft aanschaf van instrumenten en muziek, roeien met de riemen die hij had. Gelukkigerwijs had men in 1932 het bestuur uitgebreid met een drietal jongere leden, allen onderwijzer aan de Lagere (Jongens)School. Het feit dat het kerkbestuur tevens schoolbestuur was, zal hierbij zeker een rol gespeeld hebben. Maar hoe dan ook, de heren Harrie Coumans, H. van den Heuvel en Th. Koppen hebben hun sporen in die moeilijke jaren verdiend. Voor de financiële kant mogen we dan zeker Harrie Coumans (Harrie van de Houtmölder) apart memoreren, omdat hij de stuwende kracht werd achter de toneelafdeling. Beide muziekgezelschappen (Harmonie Wilhelmina en Fanfare St. Lambertus) hadden, evenals voetbalclub Merefeldia, een bloeiende toneelafdeling. Hun uitvoeringen werden (meestal) goed bezocht. De recettes vormden een zeer welkome aanvulling van de verenigingskassen. Al met al haalde Fanfare St. Lambertus maar moeizaam de dag van de gezamenlijke ledenvergadering met Harmonie St. Caecilia, St. Josephsdag 1941, waar het besluit tot fusie zou vallen. 
 

Fanfare Wilhelmina

Harmonie Wilhelmina werd 12 december 1908 opgericht als fanfare. Een eigenlijk was dat nog niet eens de bedoeling. Een vijftal jongelui, wegens vermeend wangedrag geroyeerd bij Fanfare St. Lambertus, wilden toch graag blijven musiceren. Hoe dan ook. Toevallig was de aloude Nederweerter schutterij St. Lucia in de versukkeling geraakt door gebrek aan belangstelling. De vijf vatten het plan op die schutterij nieuw leven in te blazen en er een klaroenkorps, of wat men tegenwoordig brassband zou  noemen, aan toe te voegen. Gedachtig de aloude waarheid dat men het ijzer moet smeden als het heet is, vond op 8 december 1908 reeds de eerste vergadering plaats in café van Pierre Linssen. In principe werd daar toen besloten inderdaad de schutterij nieuw leven in te blazen. Aangezien de kas van St. Lucia slechts het batig saldo van 6,34 gulden bevatte, moest men starten met een actie om geld te vergaren voor de broodnodige aanvulling van het instrumentarium van de schutterij. Besloten werd tot een huis-aan-huis collecte. De nieuwbakken leden wisten echter hun plannetje zo goed te verkopen, dat hun rondgang in het dorp het voor die tijd lieve sommetje van 377,66 gulden opbracht. Tezamen met de eerste contributie had men bijna 500 gulden te besteden en dat maakte een geheel andere opzet mogelijk. Snel werd er een tweede vergadering belegd, ditmaal in café Scheres in de Brugstraat en daar werden meteen spijkers met koppen geslagen.

Het werd dus een fanfare. Een fanfare met 16 gloednieuwe instrumenten. En, ongetwijfeld met triomfantelijke knipoogjes naar elkaar, werd burgemeester Hobus de eerste beschermheer en ere-president terwijl Dokter Schmidt zich volgaarne bereid verklaarde een goed reglement samen te stellen, mits … het gezelschap de naam Fanfare Wilhelmina zou kiezen. Dokter Schmidt was namelijk een fervent bewonderaar van ons Koningshuis. Toen dan nog J. van Dooren uit Weert als “Kapelmeester” werd aangetrokken (ja, ja de nieuwe fanfare wilde zich zo duidelijk mogelijk van de oude onderscheiden! Men wilde geen directeur, geen dirigent, maar een kapelmeester!) was het wachten alleen nog maar op de nieuwe instrumenten van de Firma Korsmidt uit Maastricht. Die arriveerden eind december 1908 en de repetities begonnen onmiddellijk in een lokaal van de jongensschool. En reeds op Maria Lichtmis, vroeger als Zondag gevierd, bracht men burgemeester Hobus, als dank, een serenade.

 
Harmonie Wilhelmina

Ook Fanfare Wilhelmina, hoe voorspoedig haar start ook geweest was, ondervond dat alle begin toch moeilijk is. Was men muzikaal zeker niet de mindere dan “di-j oete straot”, zolang men nog niet eens over een drapeau beschikte en geen echte “thuishaven” had, bleef men toch maar “de bocht vannet Staat” . Maar dergelijke tegenstellingen hebben al veel vaker en in meer plaatsen tot extra krachtsinspanningen geleid. En … wie niet sterk is (lees: niet over veel geld beschikt) moet wel slim zijn. Een drapeau werd op Ospel op de kop getikt, afkomstig van een ter ziele gegane fanfare aldaar. Er moest weliswaar aan gewerkt worden, maar het vaandel hoefde ook maar drie rijsdaalders te kosten. En ook de eigen thuishaven bleek geen onoverkomelijk probleem. Pierre Linssen, die als café-houder uiteraard wel iets zag in de exploitatie van een verenigingslokaal met repetities, concerten en toneeluitvoeringen, bouwde op eigen initiatief een zaal achter zijn café. En als klap op de vuurpijl werd Fanfare Wilhelmina ook nog uitgebreid met een door kapelmeester van Dooren opgeleide klarinettenkwartet, waardoor men “promoveerde” tot Harmonie Wilhelmina en zo definitief afstand nam van de kerkelijke fanfare.

Harmonie Wilhelmina in 1922

De jonge Harmonie Wilhelmina wist zich in korte tijd een goede naam te verwerven in de wijde omtrek. Men vond de tijd om aan wedstrijden deel te nemen nog niet rijp en men beperkte zich tot de deelname aan muziekfestivals en allerlei feestelijkheden in omliggende plaatsen. Omdat het vervoer in die tijd vaak ook nog een probleem was, waren plaatsen als Panningen en Someren favoriet. Men kon er immers met de boot of trekschuit naar toe. Hetgeen dan ook prompt gebeurde. Althans… In de kroniek van Fanfare Somerens Lust lezen we: “…Dat (de Harmonie van) Nederweert niet verschenen was wegens te maken muziek op de kermissen te Nederweert en Weert. De president met meerdere leden kwamen daarover hun leedwezen betuigen en excuus aanbieden…”.

Tot aan de oorlog, of voor ons land beter gezegd tot aan de mobilisatie, wist kapelmeester van Dooren en een actief bestuur onder president M. Greymans er vaart in te houden. Daarbij financieel uitmuntend gesteund door een zeer actieve toneelafdeling onder leiding van Dokter Schmidt en met medewerking van de op toneelgebied welhaast legendarische gebroeders van Bussel.

Toen de mobilisatie van het Nederlandse leger ene feit werd, moesten meerdere muzikanten de wapenrok gaan dragen en werd binnen de kortste keren de Harmoniezaal gevorderd en tot kazerne gebombardeerd. De toneeluitvoeringen hielden op en al spoedig werd de bodem van de verenigingskas zichtbaar. Door de gedecimeerde bezetting van het koprs enerzijds en de slechte financiële toestand anderzijds, moest zelfs de kapelmeester met onbetaald verlof gestuurd worden. Jac. Koolen, muzikant in hart en nieren, verving hem op de geïmproviseerde repetities gedurende de eerste oorlogsjaren, jaren waarin de Caeciliafeesten maar heel beperkt gevierd konden worden. In het najaar van 1916 was de nood zo hoog gestegen dat kapelmeester van Dooren definitief ontslagen moest worden. Zijn taak werd tot betere tijden waargenomen door de eerste trompettist Guillaume Trouwen.

Die betere tijden braken pas tegen de twintiger jaren aan. Tot zolang was het in verlerlei opzichten behelpen en ging de harmonie door een diep dal. In 1920 ging Dokter Schmidt, die tot dusver alleen de toneelafdeling onder zijn hoede genomen had, zich daadwerkelijk met het hele gezelschap bezig houden. Met de toenmalige president Chris van Bussel ruilde hij zijn ere-presidentschap in tegen diens presidentschap. Naar later bleek een gouden ruil. Onder zijn leiding groeide Harmonie Wilhelmina naar de top van de toenmalige korpsen in de wijde omgeving. In eerste instantie onder leiding van de redder in den nood uit de moeilijke mobilisatie-tijd, Guillaume Trouwen. Voor belangrijke optredens kreeg deze dan assistentie van de kapelmeester Bikkers uit Amerfsoort. En in 1922 kwam zij onder de uiterst bekwame leiding van de kapelmeester van het 2e Regiment Infanterie te Venlo, de Kapitein S.P. van Leeuwen. Deze was door Pierre Linssen voor Harmonie Wilhelmina gestrikt in Weert. Daar had hij Kerkelijke Harmonie St. Joseph onder zijn hoede, waarmee hij op zondagmorgen repeteerde. Door met Harmonie Wilhelmina op zaterdagavond te gaan repeteren en de kapelmeester voor de nacht logies aan te bieden “bij Henkes” was het Pierre gelukt deze topdirigent naar Nederweert te halen. Onder kapelmeester van Leeuwen werden de mooiste resultaten bereikt. Niet alleen als musicus maar ook als, wat we tegenwoordig manager noemen, was hij van grote klasse. Hij eiste veel van de zelfwerkzaamheid van de muzikanten –als we de overlevering in deze mogen geloven- maar spaarde zichzelf ook niet als het ging om tot grootse prestaties te komen. En die kwamen er. Na een jaar reeds de eerste prijs in de eerste klasse en promotie naar de afdeling Uitmuntendheid (Weert, 27 mei 1923). Een jaar later de eerste prijs in die afdeling op concours in Thorn. In 1926 werd zelf een Internationaal Concours georganiseerd. Een geweldige gebeurtenis voor Nederweert, die echter afgesloten moest worden met een nadelig saldo, ondanks een garantie-subsidie van de gemeente. Twee jaar later waren de financiën, zonder twijfel ook mede door het niet aflatend ijveren van de toneelafdeling, weer ver genoeg op peil om aan concoursdeelname te gaan denken. Een deze keer meteen maar in de hoogste, de Ere-afdeling. Helaas, dat was even te hoog gegrepen. Nou ja, wat heet te hoog: 0,4 punten te weinig voor de eerste prijs (Tongeren, België, 3 juni 1928). Dat was een geweldige tegenvaller. Maar nu bleken de grote kwaliteiten van de kapelmeester. Hij wist zijn muzikanten zo op te zwepen dat ze goed twee maanden later tot in de vingertoppen geladen nogmaals in diezelfde Ere-afdeling op concours konden gaan. En jawel, zoveel moed en opoffering werd beloond. Een eerste prijs, met lof der jury, was hun deel (Helvoirt, 13 augustus 1928). Met alle respect voor die geweldige prestatie, moest korte tijd later toch geconstateerd worden dat het een Pyrrusoverwinning was geweest. Wel kon nog op 3 februari 1929 het 20-jarig bestaansfeest gevierd worden met een receptie, waarop alle korpsen uit het Land van Weert vertegenwoordigd waren “…uitgezonderd het bestuur van de Kerkelijke Fanfare St. Lambertus…” merkte de notulist fijntjes op, maar daarna ging het snel bergafwaarts. Meerdere muzikanten hingen hun instrument aan de wilgen “…omdat men met de Harmonie toch niet meer hogerop kon…”. En enkele “toppers” , de gebroeders van Bussel, vertrokken naar Ehlen in België. Ook de kapelmeester van Leeuwen –overgeplaatst naar Assen- wilde zijn werk in Nederweert afbouwen.
 


Eerste poging tot fusie

Het bestuur van Harmonie Wilhelmina achtte de tijd gekomen een poging te ondernemen om in Nederweert een groot muziekgezelschap te vormen door een fusie met de Kerkelijke Fanfare St. Lambertus. Maar de tijd was kennelijk nog niet rijp voor die stap. De kloof was nog te diep. De secretaris notuleert: “…Er kwam dan een sterk korps. Alle partijschap was opgeheven en men was verzekerd van allen steun…”  en verder “…De kopstukken van de Kerkelijke Fanfare waren niet te vermurwen, niet voor rede vatbaar…”. Dus moest Harmonie Wilhelmina zelf maar verder. Haar eigen boontjes doppen. En dat deed men op een heel bijzondere manier. Het concourswezen van die tijd was bij lange na niet gereglementeerd als tegenwoordig. In feite was deelname in elke afdeling vrij, maar men hield zich angstvallig aan een erecode, die bepaalde dat men niet lager inschreef dan de klasse waarin de laatste eerste prijs behaald werd. En dat kon de gehavende Harmonie Wilhelmina niet meer waar maken.

Concoursdeelname werd dus bijna zeker een afgang en daar leenden zich de muzikanten (en de directeur!) niet voor. Om deze klip te omzeilen, ging men als volgt te werk. Op de Algemene Ledenvergadering van 8 juni 1929 werd Harmonie Wilhelmina officieel ontbonden. Echter, op diezelfde vergadering werd een “nieuw” muziekgezelschap opgericht, de Harmonie St. Caecilia. Deze nam alle instrumenten en alle rechten en plichten van Harmonie Wilhelmina over. 26 Leden maakten de overstap mee. Piet Linssen werd waarnemend voorzitter, met de opdracht enkele geschikte personen te benaderen om een nieuw bestuur te vormen en spoedig een vergadering op te roepen. Hij was daarmee zeer vlug klaar. Op 15 juni 1929 werd die eerste vergadering belegd en een bestuur gekozen. De “nieuwe” harmonie was startklaar.


Harmonie St. Caecilia

Onder voorzitterschap van J. Lormans (Zjang de slachter) en met een uitgebreid bestuur, we noemen Piet Linssen (Henkes Piet, zoon van de inmiddels overleden grote animator van Harmonie Wilhelmina), de gebroeders Hub. en Harrie Janssen (van Janssen de Post), J. Nijskens (Ademe Zjang), M. van Deursen (Kösters Mies) en Chr. Van Bussel (Christ vanne Mölder) ging het nieuwe korps van start. Mich. Van Dooren uit weert ging het dirigeerstokje zwaaien, vooralsnog onder supervisie van kapelmeester van Leeuwen, maar deze trok zich vrij snel helemaal terug. Voor “Mies” van Dooren begon toen wat uiteindelijk zijn 25-jarige carrière zou worden bij een Nederweerter muziekgezelschap. Pas in 1955 legde hij, toen als dirigent van Harmonie St. Joseph, de dirigeerstok neer. Met Harmonie St. Caecilia begon Mich. Van Dooren in de 3e (de laagste) afdeling van de concoursen. Hij was niet de beroepsmusicus zoals van Leeuwen maar, als telg uit de aloude Weerter, op en top muzikale van Doorens-familie, in staat “zijn” muzikanten op charmante, amicale wijze tot topprestaties te brengen. De promoties bleven dan ook niet uit. Zonder spectaculaire resultaten, zoals onder de vorige dirigent behaald weren, wist van Dooren toch weer, stap voor stap, de hoogste tree te behalen.


De tijd waarin Harmonie St. Caecilia moest opereren was de zware crisistijd, na de beurskrach van 1929. De tijd van twee weken werken voor 12,50 gulden per week –als je tenminste een gezin met een vijftal kinderen had- en de derde week thuisblijven. De tijd waarin de ontwikkeling, noodgedwongen, stil leek te staan. De tijd waarin ook de mensen het vertier veel in hun eigen plaats moesten zoeken, gewoon bij gebrek aan geld om zich andere dingen te kunnen veroorloven. Een vereniging op de been houden was een heksentoer. De penningmeester had de grootste moeite om het kwartje contributie (per maand) binnen te krijgen. Tjeu van Eijk (Klumpe Tjeu) moest geregeld op pad om te zorgen dat de contributieschuld niet opliep, want dan kon hij er naar fluiten! De gemeente gaf een jaarlijkse subsidie van 150 gulden. Eerlijkheidshalve dient daarbij wel vermeld te worden dat dat bedrag voldoende was voor de aanschaf van een drietal instrumenten. En zo gezien is er tot op heden nog niet zo heel veel veranderd. De status van een harmonie die weer meetelde eiste veel van de financiering. Dat was in die jaren een hele klus. Een niet alleen bij Harmonie St. Caecilia.

Ook de muziekgezelschappen in de omliggende plaatsen kampten met hetzelfde probleem. Het was Harmonie St. Joseph uit Weert, die in 1932 een idee aandroeg om hierin wat soelaas te kunnen bieden. Zij stelde voor om met een aantal harmonieën en fanfares uit de buurt een federatie te vormen met als doel bij toerbeurt festivals te organiseren waarop de aangesloten korpsen om niet zouden komen musiceren en waarvan de opbrengst aan de organiserende vereniging te goede zou komen. De federatie kwam tot stand met Fanfare St. Franciscus te Weert, de stedelijke Harmonie St. Antonius te Weert, de Kerkelijke Harmonie St. Joseph te Weert, Harmonie St. Caecilia uit Nederweert. Harmonie Les Echos de Dorplein uit Budel en Harmonie St. Caecilia uit Asten. Het op zich wel interessante initiatief was geen lang leven beschoren. Naar te achterhalen is heeft Harmonie St. Caecilia maar één keer een Federatief Festival mogen c.q. kunnen organiseren.

Het archief van Harmonie St. Caecilia is wel erg summier. De oorlogshandelingen, later, met de vele granaatinslagen, vernielde en lekkende daken en kleine brandjes, zullen daar zeker debet aan zijn. Vast staat wel dat Louis Gubbels (Göbbels Lewi-j), zwager van de beschermheer, burgemeester van Uden, midden dertiger jaren het voorzitterschap van J. Lormans overnam. En zo was er toen sprake van twee kwakkelende korpsen in het dorp. Duidelijk dat deze toestand niet goed was voor het aanzien van Nederweert in wijde blaasmuziekkringen. In besloten kring begon toen het “lobbyen” steeds duidelijker vorm aan te nemen. Oud zeer, typische staaltjes van echte ouderwetse dorpspolitiek en dito tegenstellingen werden voorzichtig gladgestreken en tenslotte ook overwonnen om eindelijk de weg vrij te maken voor een fusie van de Kerkelijke Fanfare St. Lambertus met de Harmonie St. Caecilia.

Lees verder over de geschiedenis nà de fusie.